Het grote zwijgen

Mijn leven speelt zich voor mijn ogen af als een opeenvolging van laffe daden en aan het roekeloze grenzende bravoure. Ik heb in een intussen al bijna antiek verleden deelgenomen aan een drietal straatgevechten en daar ook altijd klappen opgevangen, maar ik wist mezelf wel zover in te tomen dat er niemand (in de eerste plaats ikzelf) gehospitaliseerd moest worden. Op drie verschillende momenten heb ik mijn voet gebroken, maar dat was door lompe handelingen die eerder in een praktisch dan in een gewelddadig kader pasten. De ergste blessures op de straat werden aan mijn ego toegebracht, een vechter moet zijn verbeeldingskracht kunnen uitschakelen, als je je te levendig kan voorstellen hoe je oog straks half uit zijn kas zal hangen dan blijf je liever uit het bereik van dronken mannen met bierglazen in hun bereik.
Ik krijg een mail binnen waarin wordt opgeroepen tot solidariteit met een collega die onterecht uit de hogeschool gegooid is. Ik voel dat mijn eigen positie in de organisatie nog precair is, al weken wacht ik op de bevestiging van mijn eigen contract voor het volgende jaar. Ik stuur dus een mail terug dat ik sympathie heb voor de collega, maar dat ik hem niet openlijk kan steunen gezien mijn eigen onzekere statuut. Een ontoelaatbaar laffe daad, vind ik dat nu. Een aantal maanden later word ikzelf door mijn hiërarchische superieuren zonder mogelijkheid tot tegenspraak of compromis uit de school gesmeten.

Mijn bokstrainer was een zwaar getatoeëerde man met extreem-rechtse sympathieën. Hoewel hij toen hij me in het de kunst van het pugilisme inleidde arbeider was in een staalfabriek had hij ooit bijna deelgenomen aan de Olympische spelen, wat een zekere start van zijn professionele vechtcarrière zou geweest zijn. Bijna, want er was net voor de deelname iets misgegaan, hij dronk nogal graag, en het verhaal ging dat hij de gevangenis in moest omdat hij iemand doodsloeg in een bar. Met deze man stond ik als veertienjarige plots in een ring. Ik kende woede als een intieme persoonlijke emotie maar hier was ze dan, gramschap vleesgeworden met haar vuisten in de aanslag. Hij had een knevel die ondanks de relatieve breedte ervan toch leek op die van de bekendste dictator uit de menselijke geschiedenis. Zijn snor maakte elke keer dat hij mijn gezicht raakte een vrolijk sprongetje.

De ergste pijn die ik nu voel is geen fysiek leed maar een mentaal lijden, het is de melancholie en zijnsbegrensdheid die ik ervaar als ik in het door studentenactiviteit bruisende Gent rondloop en ik besef dat ik voor een onbestemde periode die misschien oneindig wordt geen deel zal uitmaken van hun levens. Had je me in augustus over die pijn verteld dan had ik me die niet kunnen voorstellen. Immanuel Kant definieert de verbeeldingskracht als een vermogen dat de voorstelling op het subject betrekt. Hoe los de levens van deze jonge mensen ook van me staan, zonder dat ze het willen of weten constitueren ze mijn pijn en mijn verlangen. Ook mijn twee directe opleidingshoofden zijn deel van deze pijn, de immense lafheid die zich in hun grote zwijgen manifesteerde ligt als een gepunt blok beton op mijn maag.

De bokstrainer met de inktvlekken op de huid staat in het midden van de ring met één hand op zijn rug. Hij laat mijzelf en nog drie jonge boksers om beurten van de zijpalen naar hem komen, vraagt ons om hem gedurende één minuut linkse jabs op het gezicht te geven die hij nauwelijks afweert maar gewoon frontaal incasseert. Elke twijfeling of zwakte wordt afgestraft met een keiharde counterpunch en de in Gents dialect gebrulde kreet “dat is links”. Ik verlaat de ring met een gezicht vol bloed en ik prijs me gelukkig dat ik mijn neus niet brak, zoals één van de andere jongens.

Nooit zal ik nog zwijgen wanneer een collega, vriend of vreemde onrechtvaardig behandeld wordt door de machtigen. Het spel van de rechtvaardigheid spelen is een balansoefening tussen effectief activisme en roekeloosheid, maar waar ik kan zal ik helpen en mezelf ook zichtbaar maken als geëngageerde. Altijd hebben we een kind op te voeden, een huis af te betalen, studerende kinderen te onderhouden, altijd is er een reden om te zwijgen, gewoon braaf de gevraagde arbeid af te leveren en te hopen dat de moker niet op ons valt. In onze lafheid overschatten we onze sterkte en redzaamheid, vergeten we dat we als het systeem zich tegen ons keert de hulp van anderen hard nodig zullen hebben, dat de raderen van de macht het geïsoleerde individu als een insect verplettert, als het daar om één of andere reden toe beslist.

Na onze huilerige protesten bij thuiskomst hebben onze ouders collectief geklaagd over de geblutste staat van het gezicht van hun kinderen en de leiding van de boksclub maant de gewraakte trainer aan tot een mildering van zijn trainingstechnieken. De week daarop sta ik in het midden van de ring weer oog in oog met de woede met fascistenknevel, maar deze keer staat er wel een bakje met water en een spons naast de ring. “Kunnen jullie het bloed van jullie gezicht vegen”, grijnst hij. Terwijl ik de eerste linkse moker op mijn lip krijg besef ik dat vooruitgang soms een traag en pijnlijk proces is.

Een reactie plaatsen

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s