(Gepubliceerd in De Standaard op 21/12/2023)
Het is altijd pijnlijk als een held van zijn voetstuk valt, zowel voor de persoon zelf als voor zijn fans. Soms gaat dat gepaard met uitgebreide beschuldigingen van wangedrag, denk aan Bart De Pauw, soms gebeurt het op meer subtiele gronden. Een voorbeeld daarvan is de komiek Urbanus, ooit een geniale wegbereider voor humor en het vrije woord in het bekrompen Vlaanderen, later vooral een verspreider van enggeestige populistische gedachten en schatbewaarder van de eigen portemonnee.
Creatievelingen zoals Urbanus kunnen zich in principe nog vrijwaren van de ondergang door op latere leeftijd de kwaliteit van hun werk goed te bewaken en door te beseffen dat hun nieuwe politieke denkbeelden niet noodzakelijk sporen met hun oude imago. Voor atleten is dat evenwel onmogelijk. Zodra ze de kaap van de dertig hebben overschreden, gaat het onherroepelijk bergaf met de carrière van professionele sporters, tegen dat ze veertig zijn is het doorgaans afgelopen. Het besef van die korte houdbaarheidsdatum van je roem doet wellicht vreemde dingen met je hoofd. Je weet dat je maar een beperkte periode hebt om te bewijzen dat je de beste bent.
Als je niet de behoefte voelt om duidelijk te maken dat je de beste bent, dan begin je nooit met topsport, dat is gewoon een intrinsieke motivatie bij iedereen die op hoog niveau met het eigen lichaam bezig is. De vele miljoenen die Courtois verdient, alle erkenning voor zijn topprestaties als keeper bij de Rode Duivels en elders, zijn voor hem bijzaak. Het is de beste zijn, of niks. Een symbolische onnozelheid als een kapiteinsband niet krijgen wordt op die manier een symbool voor een ongelofelijk falen.
Voor wie geen affiniteit heeft met topsport, is die mentaliteit haast onbegrijpelijk. Het interview waarin Courtois zich, terwijl hij er zich de hele tijd voor excuseert, toont als iemand die zich niet over zijn gekwetstheid kan zetten, komt op mensen die geen zicht hebben op de top- sport en op de hoge status en beloningen die daarmee gepaard gaan, al snel over als de hebberigheid van een verwend kind.
Toen de filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860) merkte dat zijn collegezalen leeg bleven terwijl de lessen van zijn collega Hegel (1770-1831) druk werden bijgewoond, kon hij dat moeilijk verkroppen. De Duitse pessimist noemde Hegel “me- neer de niet-weter” en vroeg zich openlijk af of Hegel dacht dat hij “oude wijven” voor zich had in plaats van studenten. Het komt, zoals vaak in het werk van de man, over als een kleinzerige tirade van iemand die toch een van de reuzen van het Duitse denken zou worden.
Iedereen die de beste wil worden, moet zich afvragen waarvoor hij herinnerd wil worden. Schopenhauer wordt gezien als een groot denker, maar ook als een kleinzerig ventje met nare ideeën en veel nijd. Courtois beseft, afgaande op de vele excuses in het interview, dat het hier over zijn erfenis gaat. Als puntje bij paaltje komt, kiest iedereen wie zijn eeuwige held blijft, en wie als vals idool in de vergeetput verdwijnt. Zelfs met al zijn voetbalmiljoenen kan Courtois die blijvende bewondering niet afdwingen. Het heldendom is niet te koop
