Onze privacy opgeven: niet om een virus te bestrijden, wel om te weten welke Kardashian we zijn?

Er heerst grote bezorgdheid over de uitholling van onze privacy onder de stringente coronamaatregelen. Mensen posten woedende berichten over de kerstfeestdrones van de politie, de pizzatelling van gouverneur Cathy Berx en het recht van de politie om een huisinval te doen en opa en oma op de bon te zwieren. Het is goed dat juristen onmiddellijk op een aantal netelige kwesties springen en dat de politie zelf ook intern bekijkt of drones over privétuinen laten vliegen wel oké is, juridisch gezien. Het is de taak van privacy-experten om dingen uit te pluizen en grenzen te bewaken. Iets minder goedaardig is de algemeen verontwaardigde schreeuw dat de overheid nu helemaal gek geworden is, dat we in een coronadictatuur leven en dat onze privacy zo goed als dood is. Die laatste uitspraak klopt misschien wel, maar dat komt niet door de overheid. Ons dagelijkse digitale gedrag is daar verantwoordelijk voor.

Laten we uitgaan van de goede trouw van de meeste mensen, en aannemen dat we niet boos zijn omdat we toch een groot feest willen houden op kerstmis en bang zijn om betrapt te worden, maar wel omdat we over de zeer sterke gevoelens hebben over de autonomie van de persoonlijke levenssfeer. Het VN-verdrag voor Burgerrechten en politieke rechten werd in 1976 van kracht en sluit uit dat overheden bijvoorbeeld zomaar iemands huis kunnen binnenvallen. Als overheden of andere actoren deze regel sporadisch omwille van zeer uitzonderlijke omstandigheden willen overtreden moet daar een goede grond voor zijn, en moet het ook wettelijk vastgelegd worden wanneer dit kan. Zoveel is duidelijk.

Onze principiële houding over privacy staat evenwel haaks op ons dagelijks online gedrag. We zitten hele dagen op sociale media en zoekmachines waarbij we massa’s (zeer) persoonlijke gegevens beschikbaar stellen voor privébedrijven. Hoeveel datapower tech-bedrijven als Google en Facebook bezitten wordt mooi geïllustreerd in het boek Everybody Lies, waarin datawetenschapper en socioloog Seth Stephens-Davidowitz door het gebruik van digitale data voor het eerst in de menselijke geschiedenis kan zien wat mensen echt denken. Als we een vragenlijst invullen of met iemand spreken zullen we altijd geneigd zijn om brokjes waarheid achter te houden, maar ons zoekgedrag liegt nooit. Zo kan de auteur van Everybody Lies zeer nauwkeurig bepalen hoeveel mensen er homoseksueel zijn in een bepaald gebied, ook al komt niet iedereen daarvoor uit. Iedereen zal zien dat deze data niet alleen een fascinerende wetenschappelijke bron, maar potentieel ook gevaarlijk kunnen zijn. Het schandaal rond de dataverkoop ten behoeve van de Trump-campagne door het bedrijf Cambridge Analytica liet in 2016 zien dat dit gevaar niet ingebeeld is, maar een harde realiteit.

De Oculus Quest, de eerste echt populaire VR-bril, gelanceerd door Facebook is, met zijn naar buiten gerichte camera die voortdurend je omgeving scant, wellicht het voorlopige hoogtepunt van de aanwezigheid van big tech in je woonkamer. Specialisten schreeuwen al van bij de lancering dat er gigantische privacy-issues zijn met het ding maar desondanks werd het een groot commercieel succes. Hoe dat komt? De games zijn gewoon erg leuk, en daar kunnen bezwaren en woorden niet tegenop.

We geven onze privacy dus elke dag gratis weg aan bedrijven simpelweg omdat het leuk is om dat te doen. De ironie hierbij is dat we meestal geneigd zijn om boos te zijn als de overheid de macht van deze bedrijven over onze gegevens probeert in te perken. De Europees opgelegde GDPR-regels, bedoeld om datamisbruik te beperken, werden bijna universeel op gezucht onthaald, en worden vaak gekaderd als het resultaat van een te bemoeizieke overheid. En is er al iemand van TikTok gegaan nu we met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid weten dat de Chinese overheid de gegevens ervan gebruikt?