Taal nazi op pannekoeken festijn

“Pannekoeken festijn” staat er op het bordje in de school van mijn zoon. Ik ben even geneigd om, net zoals Trump toen hij wilde bewijzen dat orkaan Dorian tegen de wetenschappelijke voorspellingen in toch naar Alabama zou oprukken, met een zwarte stift het bordje te bevlekken, om de woorden aan elkaar te schrijven. Overal zie ik hoe onze geschreven taal letterlijk uiteenvalt, onder de steeds krachtigere invloed van het Engels. In het Engels splits je zogenaamde samengestelde woorden veel vaker dan je ze aan elkaar schrijft, in het Duits en het Nederlands is net het omgekeerde het geval. Dat levert zeer lange woorden als “middellangeafstandsraket” op, en die lengte is iets wat veel mensen blijkbaar instinctief niet leuk vinden. De laatste jaren jaren slaan ze dan ook steeds vaker aan het splitsen. Dat is geweld tegen onze taal, vind ik, je kan woorden niet zomaar verscheuren.
Toen ik eens als docent communicatie aan een Vlaamse hogeschool op een congres was met andere talige pedagogen, viel mijn boodschap alvast in dovemansoren. Zoals gebruikelijk begon er iemand te klagen over de geringe kennis van de DT-regel bij studenten. In kringen van talige pedagogen is de DT-regel immers een soort van symbooldossier geworden, symbool voor al wat er momenteel de slechte kant uitgaat met de taalkennis van jonge mensen. Ik heb geleerd om mijn echte mening daarover te verhullen. Ik vind de DT-regel een historisch reliek en al te vaak is hij louter een stok om een hond die men toch al stout vond te slaan. Ik geloof dan ook al lang dat de regel snel zal verdwijnen omdat hij gewoon niet nuttig is. Die mening is een gigantisch taboe, ook al vind ik dat er aan haar logica niet te tornen valt.
Anders is het met het aan elkaar schrijven van woorden, dat aanvoelt als een invasie van het Engels in een gebied waar het niks te zoeken heeft. Is er iets mooiers dan een ontzettend lang woord te maken in een exaltische bui van neologismedrang?
“Ja”, zeg ik tegen de taaldocenten, in een onbewaakt moment van enthousiasme over de verloedering van de geschreven taal, “om over middellangeafstandsraket nog maar te zwijgen!” Er wordt wat met de voeten geschuifeld, de stilte duurt net te lang, maar uiteindelijk vraagt er iemand wat ik bedoel. Ik leg het uit. “Ik weet nu niet of dat nu zo belangrijk is, het lijkt me eerder iets voor taalnazi’s, in het Engels zijn er zelfs geen regels voor compound words”, zegt iemand, en er volgt meer stilte tot iemand op automatische piloot een samenvatting begint te geven van de ergste DT-fouten tijdens haar laatste examen. Ik ben uit de groep geduwd, besef ik. Ze hebben me afgesplitst. “Ach”, denk ik, hervallen in mijn gebruikelijke stilte, “dan ben ik maar een taalnazi, dat is oké. Zolang het maar geen “taal nazi” is.”