EEN ONPOPULAIRE NIEUWJAARSBOODSCHAP

Er is een cartoon van Gumbah waarin één van de fantastische groteske figuren van de satiricus zich letterlijk het haar uit de schedel trekt omdat hij de ijdele, lege conversaties van twee mensen achter hem, we kunnen vermoeden dat het collega’s zijn, niet meer kan verdragen. “Oh God! Wat zijn ze dom!!!”, zegt het mannetje en boven de tekening prijkt als een hedendaags INRI “man met een ondraaglijk hoog IQ”. De prent biedt duidelijke, Gumbaesk weinig subtiele spot aan het adres van zich in hun Mensa-lidmaatschap wentelende high IQ figuren en intellectuelen die zich op arrogante wijze meer dan een ander achten. In een ironische wending is het echter ook een exacte beschrijving van mijn, en ik vermoed velen met mij, gevoelens over de gevolgen van het groeiend populisme en de tirannie van de like in de door digitale sociale netwerken aangevoerde openbare ruimte.

Uiteraard mogen mensen gesprekken over lege en zinloze dingen hebben, en dat heeft ook zijn nut. We moeten altijd voorbij een bepaalde barriere van smalltalk voor we het over de echt belangrijke dingen kunnen hebben, die voor mij grotendeels tot liefde, dood, ziekte en de materiële voorwaarden die ons geluk kunnen constitueren beperkt zijn. Af en toe moet je echter ook eens vragen aan iemand of hij graag in Eeklo woont, en waarom in godsnaam. Uitleggen waarom dat moet zou ons te ver leiden, maar laten we even aanvaarden dat het een noodzakelijk kwaad is. Bij zulke kleine gesprekken horen een aantal banale observaties en triviale dooddoeners, maar mits wat sturing kan je in zo’n gesprek ook al vrij snel checken of deze persoon iemand is die gaat evolueren tot een gesprekspartner waarmee je tot een bepaalde kern van de zaak kan komen of dat het iemand zal blijven die na de twintigste keer nog de openingsuren van cultureel centrum ArtA’A in Aalter ten berde aan het geven is. Het leuke aan in leven zijn en sociale interacties onderhouden was voor mij zo tot een vijftal jaren geleden dat ik deze personen voor ongeveer 98 procent van mijn tijd volledig uit mijn leven wist te houden eens ik vastgesteld had dat ze nooit maar dan ook nooit ook maar iets interessants te zeggen zouden hebben.

Het allervervelendst vond ik de mensen die eigenlijk niks te zeggen hadden maar dit zelf niet zo goed snapten en mits allerlei stokpaardjes toch om de haverklap aan mijn hoofd kwamen zeuren over allerlei non-thema’s. Okay, laat ik de olifant met Armanischoenen in de kamer maar voor de proppen halen: dit is natuurlijk een perfecte beschrijving van wat het gros van de influencers doet. Waar ik me vroeger nog kon troosten met de illusoire zekerheid dat haast niemand deze raaskallende, kortzichtige, pseudo-wijsgerige blaakaken tof kon vinden, daar word ik nu telkens ik mijn telefoon opendoe kapotgeknald met de kennis dat mensen wat zij zeggen honderden, duizenden, miljoenen keer leuker vinden dan wat ik zeg. Hoe banaler de shit is, hoe essentialistisch trivialer, clichématiger en bloedbevriezend irritant herkenbaar het is hoe meer likes het zal opleveren, hoe meer het gedeeld zal worden, hoe meer men erom geprezen zal worden. Misschien is dat niet altijd zo, maar het gebeurt veel vaker dan het zou mogen, en het is eerder de regel dan uitzondering.

Het ressentiment naar intellectuelen toe is geen nieuw gegeven, natuurlijk. Marx en andere denkers die met ideologiekritiek bezig waren in zijn voetstappen hebben ook terechte kritiek gegeven op de inertie en het spreken vanuit ivoren torens van veel intellectuelen. Wat er wel nieuw is, is dat gemakzuchtig populisme met sociale media niet alleen een wereldwijd en sterk homogeniserend forum maar ook een beloningsmechanisme gekregen heeft. Wat velen vreesden met de komst van de televisie is met de komst van digitale sociale media eindelijk gebeurd, we zijn overgegaan naar non-discursieve tijden, we floepen krijsend en bulderlachend op onze buik binnen in het tijdperk van de demonstratieve theatraliteit.Heck, dit stuk heeft kenmerken van de trend die ik zo veroordeel. Steeds meer zijn we onze standaarden, onze uniciteit aan het verliezen om te kunnen confirmeren aan de heilige koe van het online geliefd zijn. Niemand wil die loser zijn met de schrale drie likes onder zijn post.

Tiktok is voorlopig het allerregressiefste medium van alle sociale media, aangezien het algoritme digitale makers (het zijn duidelijk geen denkers dus dat is wel adequaat) beloont met meer onmiddellijke exposure als ze dingen maken die in een bepaalde kijkersverwachting liggen en dus likes krijgen. Verrassingen of content die afwijkt van wat je eerder deed wordt daarentegen onmiddellijk afgestraft. Ik zag een lieve wat naieve lokale politica ergens online schrijven dat ze Tiktok ging gebruiken om wat te experimenteren, wat ze dan ook deed, en met duidelijke gevolgen. 95 Procent van haar video’s vielen dood zonder dat ze ooit bekeken werden. Wat Tiktok aanmoedigt is dat je blijft tasten tot je een gaatje vindt waarmee je tot het publiek doorprikt en dat je dan honderdduizend keer door hetzelfde gaatje blijft prikken tot je bekend wordt. Een bekende Vlaamse Tiktok-influencer, die stiekem wel intelligent is denk ik, maakte als 150 keer een variatie op hetzelfde filmpje waarin hij vrij banale imitaties doet van leerkrachten. Elke dag is Groundhog Day voor die arme stakkers, ze zitten gevangen tussen voortdurende zelfherhaling of een val in de anonimiteit, het zou me niet verbazen als de slimsten onder hen binnenkort massaal zelfmoord beginnen te plegen.

Van zodra je je telefoon of computer opentrekt en je connectie maakt met het wereldwijde web weet je dus dat het altijd prijs is: niet alleen zal je verbijsterend domme dingen lezen en zien, je zal deze bij voorkeur te negeren boodschappen ook nog volstrekt ironieloos geprezen en schier oneindig gedeeld zien worden. Wijk je af van het patroon dan word je ofwel volstrekt genegeerd, ofwel word je door de grootste banale neuten en seuten die echt niks, maar dan ook niks van ook maar één centimeter diep te zeggen hebben voor zover het in hun macht ligt monddood gemaakt, aan de schandpaal genageld en gevierendeeld. Digitaal uiteraard, want het gros van deze klavierkrijgers durft nog niet omhoog kijken als je ze in de echte fysieke ruimte tegenkomt. Ik zie ons afstevenen naar een tijd waarin we door het verlangen naar likes en de kapitalistische incentieven van de bedrijven die hier baat uit slaan gedreven worden naar een volstrekte culturele, kritiekloze homogeniteit.

Terwijl we dus van alle kanten verpletterd worden door de dwingelandij van de hersenloze klikbare blabla is het nodig dat we ons vastklampen aan dit maxime: “onthoud dat niet alles voor iedereen is, en dat iedereen het recht moet hebben om dingen te maken, te zeggen of te schrijven die niet iedereen begrijpt, die je misschien een ongemakkelijk gevoel geven en die nooit zo populair kunnen zijn als de Zwambidambie shuffle op Tiktok, als je het niet tof vindt kan je ook nog altijd gewoon naar de andere kant kijken, de kans is dat er daar achterlijke shit is die je wel tof vindt, ciaokes.” Toegegeven, het is geen bijzonder eloquent of makkelijk te onthouden maxime zoals de tweede imperatief van Kant, maar ik ben dan ook geen neurotische Pruisische lapzwans, en ik houd me ver van acroniemen, die allervervelendste van alle tools uit de hedendaagse managementdoos.

Ik wens iedereen in 2023 dus de moed om na te denken alvorens talig of fysiek te handelen. En om ook nog te handelen als het duidelijk is dat wat je zal brengen niet populair zal zijn, maar wel belangrijk, tegendraads of zelfs gewoon maar spitsvondig. Her en der ontstaan epicurische tuinen op het internet, maar zoek ons niet (Siegfried Bracke, Mia Doornaert, et al.), wij vinden jou wel.

BLIJVEN LEVEN VOOR DE KINDEREN

Het was met enige aandrang dat ik die ochtend op de deur bonkte van de oude vrouw die vlakbij het Mercator-schip aan het einde van mijn straat woonde. Het was 6 uur ‘s ochtends en het vroor, en hoewel ik me kon voorstellen dat het vrouwtje gezien haar gevorderde leeftijd met een fluisterende pas door het leven schuifelde, kon ik enig dringend geweld niet uit mijn handelen houden. Na een goede 7 minuten en 23 seconden hoorde ik haar stem zwakjes door de deur komen, meer het wijfelende geluid van een puppie die voor het eerst probeert te blaffen dan van een mens. Ze vroeg me wie ik was. Ik legde haar uit dat ik kwam voor haar kerstboom, dat ik Frank heette en dat ik met mijn zoontje van vier wat verder in de straat woonde. Als je het vertrouwen van iemand wil winnen is het altijd goed om te zeggen dat je de liefhebbende verzorger van klein grut bent, behalve als die iemand in de financiële sector werkt en je van een hypotecaire lening moet voorzien, natuurlijk.

“Ge komt wel vroeg op den dag”, zei ze met goedkeuring in haar stem terwijl ze de deur verder opentrok. Ik volgde haar, zo had ik haar beweegtempo juist geconjectureerd, schuifelpas doorheen de smalle donkere gang naar haar eveneens donkere living waarin een stoof met verzengende hitte zijn straling vrijgaf. Ik heb thuis of elders nooit een stoof gehad, dus dat veroorzaakte geen gloedgolf aan melancholie en herinneringen bij me. Het vrouwtje, dat zich voorstelde als “Madeleine, zoals in het boek, maar dat heb ik nooit gelezen”, leek dan wel weer helemaal in de ban te komen van één of andere emotie, terwijl we zo in haar leefkwartieren stonden. Er hingen nauwelijks foto’s in de ruimte, dat viel me mee, want woonkamers van zo’n hoogbejaarde besjes zijn vaak van muur tot muur volgepleisterd met de tronies van dode mensen en ooit jonge leden van het nageslacht die hen niet meer komen bezoeken. Bij haar hing er maar één noemenswaardig kader aan de muur, een borstbreed portret van een jonge, meer gladgestreken versie van zichzelf met een kapsel dat standvastiger dan brons leek en een man met gladde jukbeenderen en achteruitgekamd haar in een legeruniform. Ze had wel iets weg van wijlen koningin Fabiola, deze vrouw, maar ik zei het haar maar niet, ik kwam immers voor haar kerstboom, niet om seksuele avances te maken.

“Ge doet mij aan onze Louis-Ferdinand denken”, zei ze, waarna ik verplicht werd om neer te zitten aan haar tafel en te wachten tot ze terug was met een porseleinen (of ja whatever, glazen, bakelieten, weet ik veel, ben ik een materialenexpert of zo) kan met koffie en koekjes die ergens rond de verbanning van Napoleon naar Sint-Helena gebakken leken te zijn. Ik bedankte haar en zei grappend dat ze Reis naar het einde van de nacht van Louis Ferdinand Céline vast ook nooit gelezen had.

“Oh jawel, jawel”, zei ze, “ik en mijn man hielden van Céline. We hebben hem in 1956 ook een keer ontmoet in Noord-Frankrijk. Opmerkelijke man, we hadden veel met hem gemeen.”

“Ook het anti-semitisme?”, vroeg ik haar terwijl een keihard stuk zandkoek een ravage aanrichtte aan mijn mondglazuur. Ze lachtte alleen maar wat ten antwoord en goot me nog wat koffie uit.

“Sinds hij dood is, is het hier heel stil geweest”, zei ze, “we deden alles samen daarvoor. Hij werkte thuis, meestal, hij redigeerde teksten. Misschien kent ge de Tips?”

De Tips was het reclameblad van Oostende, een publicatie die me telkens verrukte omwille van de ongewild grappige artikels en de heerlijk morbide foto’s van doodgravers op de pagina’s met overlijdensberichten. Ik was niet alleen in mijn stille affectie voor het blad, want er was zelfs een subcategorie van anti-reclamestickers voor op je brievenbus die een uitzondering toeliet voor het blad. “Geen reclame en lokale pers, enkel Tips” stond erop.

“Het meest gelezen blad van Oostende!”, schreeuwde ik zowat hun leuze.

“Loufie, zo noemde ik hem, was erbij toen het in 1965 door Norbert werd opgericht. Natuurlijk moest hij toen in het begin nog naar daar, naar de redactie, want het internet bestond nog niet. Later kon hij van thuis werken. Kent gij iets van computers?”, vroeg ze me plots met dichtgeknepen ogen.

Het leek me dat ze verwachtte dat ik “ja” zou zeggen, waarna ze ofwel met een gsm op de proppen zou komen waarop ik haar bankzaken zou moeten verrichten, ofwel me met enig misbaar te kennen zou geven dat er een onoverbrugbare kloof tussen zichzelf en mij bestond.

“Ik ben meer een man van het papier”, paaide ik haar, “die computers hebben het leven zogezegd makkelijker gemaakt, maar ik weet het toch niet. Het lijkt me dat we veel eenzamer zijn nu.”

Dat leek haar gelukkig te maken.

“Ik ben nog maar de tijd aan het doden tot het voor mij ook gedaan is”, zei ze. We zaten een aantal tellen in de ochtendduisternis naar het tikken van de klok op haar dressoir te luisteren. Ze had in de keuken achteraan het huis een licht aangestoken, een dagheldere maar artificieel aanvoelende TL-buis.

Ik dacht aan hoe mijn grootmoeder en overgrootmoeder nog decennia binnenshuis bleven verderleven na de dood van hun echtgenoten. Ze ontvingen nog mensen, maar de drempel van de woning gingen ze nauwelijks nog over. Het leven was geleefd, dertig à veertig jaar herinneringen aan tijden samen zaten veilig ter opvraging in de hippocampus, er was daarbuiten niks meer, ze bleven enkel nog bestaan omdat ze vaag het gevoel hadden dat hun dood de kinderen te veel pijn zou doen. Madeleine had geen kinderen, of ze had toch nergens foto’s van hen hangen, wat op hetzelfde neerkwam.

Het andere licht in de ruimte kwam van de kerstboom. Ze had geopteerd voor klassieke rode versiering met bontgekleurde lichtjes die weggerukt leken uit een junglebordeel van tijdens de Amerikaanse imperialistische oorlog tegen het Vietnamese volk. Het was een afgrijselijke combinatie.

“Maar gij kwam voor de kerstboom?”, las ze mijn gedachten.

“Ja, ik ga tijdens de eindejaarsperiode binnen bij mensen in de buurt om dan met hun kerstboom te lachen”, zei ik, “als ik even mag.” Ze sloeg met haar hand in de richting van de boom en keek weg, een gebaar van berustende onverschilligheid.

Ik ging wijdsbeens voor haar kerstboom staan, stak mijn vinger uit en riep “hahahahahaha”. Er lag een dik pak dode naalden op de grond rond de boom.

Ze schuifelde weer voor me uit, maar nu in de omgekeerde richting. Haar enkels leken verbazingwekkend jong voor oude vrouw, al hadden haar met aders bezaaide kuiten wel duidelijk betere tijden gekend. Ze had voor ze weer naar de gang ging een knalroze peignoir aangeworpen.

“Het was geen perfecte man”, had ze nog gezegd, “hij dronk te veel, en hij kon zagen over de meest onnozele dingen. Maar hij was mijn man, snapte?” Ik kon haar als gescheiden bijna-veertiger niet oprecht vertellen dat ik dat snapte, mijn hele trouwproject was na drie jaar al op de klippen gelopen, maar ik wilde het wel proberen.

“Allez”, zei ze, “een Paasboom zet ik niet, maar als ge nog eens iets wilt komen uitlachen of wat koffie wilt drinken dan zijt ge welkom. En als ik de deur niet direct opendoe dan ben ik waarschijnlijk dood.”

Ze sloot de deur, en ik schrapte haar adres van mijn lijst. Ik had anderhalf uur bij haar binnengezeten, als mijn efficiëntie niet serieus omhoogging zou het inderdaad al Pasen zijn tegen dat ik elke kerstboom in Oostende uitgelachen had. Het tempo van het moderne werkleven is medogenloos en laat nauwelijks plaats voor menselijke relaties.

Het grote zwijgen

Mijn leven speelt zich voor mijn ogen af als een opeenvolging van laffe daden en aan het roekeloze grenzende bravoure. Ik heb in een intussen al bijna antiek verleden deelgenomen aan een drietal straatgevechten en daar ook altijd klappen opgevangen, maar ik wist mezelf wel zover in te tomen dat er niemand (in de eerste plaats ikzelf) gehospitaliseerd moest worden. Op drie verschillende momenten heb ik mijn voet gebroken, maar dat was door lompe handelingen die eerder in een praktisch dan in een gewelddadig kader pasten. De ergste blessures op de straat werden aan mijn ego toegebracht, een vechter moet zijn verbeeldingskracht kunnen uitschakelen, als je je te levendig kan voorstellen hoe je oog straks half uit zijn kas zal hangen dan blijf je liever uit het bereik van dronken mannen met bierglazen in hun bereik.
Ik krijg een mail binnen waarin wordt opgeroepen tot solidariteit met een collega die onterecht uit de hogeschool gegooid is. Ik voel dat mijn eigen positie in de organisatie nog precair is, al weken wacht ik op de bevestiging van mijn eigen contract voor het volgende jaar. Ik stuur dus een mail terug dat ik sympathie heb voor de collega, maar dat ik hem niet openlijk kan steunen gezien mijn eigen onzekere statuut. Een ontoelaatbaar laffe daad, vind ik dat nu. Een aantal maanden later word ikzelf door mijn hiërarchische superieuren zonder mogelijkheid tot tegenspraak of compromis uit de school gesmeten.

Mijn bokstrainer was een zwaar getatoeëerde man met extreem-rechtse sympathieën. Hoewel hij toen hij me in het de kunst van het pugilisme inleidde arbeider was in een staalfabriek had hij ooit bijna deelgenomen aan de Olympische spelen, wat een zekere start van zijn professionele vechtcarrière zou geweest zijn. Bijna, want er was net voor de deelname iets misgegaan, hij dronk nogal graag, en het verhaal ging dat hij de gevangenis in moest omdat hij iemand doodsloeg in een bar. Met deze man stond ik als veertienjarige plots in een ring. Ik kende woede als een intieme persoonlijke emotie maar hier was ze dan, gramschap vleesgeworden met haar vuisten in de aanslag. Hij had een knevel die ondanks de relatieve breedte ervan toch leek op die van de bekendste dictator uit de menselijke geschiedenis. Zijn snor maakte elke keer dat hij mijn gezicht raakte een vrolijk sprongetje.

De ergste pijn die ik nu voel is geen fysiek leed maar een mentaal lijden, het is de melancholie en zijnsbegrensdheid die ik ervaar als ik in het door studentenactiviteit bruisende Gent rondloop en ik besef dat ik voor een onbestemde periode die misschien oneindig wordt geen deel zal uitmaken van hun levens. Had je me in augustus over die pijn verteld dan had ik me die niet kunnen voorstellen. Immanuel Kant definieert de verbeeldingskracht als een vermogen dat de voorstelling op het subject betrekt. Hoe los de levens van deze jonge mensen ook van me staan, zonder dat ze het willen of weten constitueren ze mijn pijn en mijn verlangen. Ook mijn twee directe opleidingshoofden zijn deel van deze pijn, de immense lafheid die zich in hun grote zwijgen manifesteerde ligt als een gepunt blok beton op mijn maag.

De bokstrainer met de inktvlekken op de huid staat in het midden van de ring met één hand op zijn rug. Hij laat mijzelf en nog drie jonge boksers om beurten van de zijpalen naar hem komen, vraagt ons om hem gedurende één minuut linkse jabs op het gezicht te geven die hij nauwelijks afweert maar gewoon frontaal incasseert. Elke twijfeling of zwakte wordt afgestraft met een keiharde counterpunch en de in Gents dialect gebrulde kreet “dat is links”. Ik verlaat de ring met een gezicht vol bloed en ik prijs me gelukkig dat ik mijn neus niet brak, zoals één van de andere jongens.

Nooit zal ik nog zwijgen wanneer een collega, vriend of vreemde onrechtvaardig behandeld wordt door de machtigen. Het spel van de rechtvaardigheid spelen is een balansoefening tussen effectief activisme en roekeloosheid, maar waar ik kan zal ik helpen en mezelf ook zichtbaar maken als geëngageerde. Altijd hebben we een kind op te voeden, een huis af te betalen, studerende kinderen te onderhouden, altijd is er een reden om te zwijgen, gewoon braaf de gevraagde arbeid af te leveren en te hopen dat de moker niet op ons valt. In onze lafheid overschatten we onze sterkte en redzaamheid, vergeten we dat we als het systeem zich tegen ons keert de hulp van anderen hard nodig zullen hebben, dat de raderen van de macht het geïsoleerde individu als een insect verplettert, als het daar om één of andere reden toe beslist.

Na onze huilerige protesten bij thuiskomst hebben onze ouders collectief geklaagd over de geblutste staat van het gezicht van hun kinderen en de leiding van de boksclub maant de gewraakte trainer aan tot een mildering van zijn trainingstechnieken. De week daarop sta ik in het midden van de ring weer oog in oog met de woede met fascistenknevel, maar deze keer staat er wel een bakje met water en een spons naast de ring. “Kunnen jullie het bloed van jullie gezicht vegen”, grijnst hij. Terwijl ik de eerste linkse moker op mijn lip krijg besef ik dat vooruitgang soms een traag en pijnlijk proces is.

AAN DE BORSTEN VAN MIJN MOEDER

Mijn moeder heeft, verstopt tussen de meest kitscherige schreeuwerig gekleurde nineties albums met herinneringen aan reizen die ik nooit kan vergeten, een boek met naaktfoto’s van zichzelf met eveneens ontklede baby-ik aan de borst. Het is een statig lederen album, en de foto’s probeerden anno 1983 een late seventies wazige Emmanuelle-charme te emuleren.

Mijn moeder staat in tedere omhelzingen met haar baby voor roodgekleurde achtergronden met een flou artistique te stralen. Het contrast van deze oprechte krachtige gevoelens en de gekunstelde nu gedateerde maar door de cyclische aard van trends ook weer hippe omgeving is zo sterk dat het me de enkele keren dat ik het boek beschouwde omverblies. De liefde heeft een gezicht. En het decor van de sterkste der menselijke emoties is van velours, of iets dergelijks, ik ben geen stoffenspecialist.

Bijna veertig jaar later zit ik in een trein die van mijn ballingsoord aan de kust naar het binnenland rijdt in een boek over liefde van de Franse seventies filosoof Roland Barthes te lezen. Hij beschrijft het “bewegingsloze wiegen” door de geliefde als de andere omhelzing naast die van de seksuele gemeenschap. Het gekoesterd, toegefluisterd, huid op huid geaaid worden is voor de filosoof een duidelijke uitloper van hoe we door de moeder ooit liefdevol bejegend werden.

Meestal verzet ik mij tegen deze Freudiaanse interpretaties van de liefde, Marcuse kan er ook wat van wat dat betreft. Alsof we ons hele leven bij elke amoureuze ontmoeting niks doen dan de verdwenen moeder te proberen vervangen. Het is, zoals Freudianisme dat vaak is, me een al te eenzijdige reductionistische en monomane weergave van een complexe werkelijkheid.

Voor de vorming van mijn seksuele zelf waren de masochistische spelletjes die ik met S. in de zomer van 1993 in de ovenhete zomertent in onze tuin speelde veel belangrijker. Geketend door geïmproviseerde touwen lag ik onder het canvas aan zijn bleekgerimpelde voeten terwijl hij al dan niet met zijn piemel speelde. Het was de tijd van de grens van de onschuld, één van die nachten had ik een droom waarin de duivel me kwam halen omdat ik foute dingen met mijn vriend deed. Het is tot vandaag de ergste angstdroom die ik had. Dank u katholieke school.

Maar wat de rol van de moeder en het memento dat de foto’s me geven betreft kan ik er toch ook niet buiten, in mijn volwassen leven wil ik door vrouwen gekoesterd en verwend en door mannen gepijnigd en vernederd worden. Bij Plato bestond het ideale liefdeswezen voor het wreed uit elkaar gehakt werd uit twee delen, als een Siamese tweeling. Ik zou even Googlen of Siamese drielingen bestaan, maar dan kom ik vast weer bij een shitload porno terecht.

De staat van primordiale koestering komt niet terug, en dus is het leven zowel verscheurend mooi als afgrijselijk gruwelijk. Daar aan de borsten van mijn moeder in onze eigen Sylvia Kristelprent kende ik het grootste warme geluk dat ik in mijn leven zou kennen maar ik beleefde het niet bewust, was te jong om de magie ervan te snappen. Nu ben ik bewust, beladen met pijn van vroeger, nu en straks en precies daardoor niet meer in staat om zo’n geluk te bereiken.

De trein stopt en ik sla het boek van Roland Barthes dicht en stap de herfstkleuren van Gent binnen. Ik ben nu vijftien jaar ouder dan mijn moeder was op die foto’s en ik heb zelf een kind dat soms knuffelig aan mijn borst wil komen liggen. Ik heb hem nog geen pijn gedaan, maar ik besef dat het onvermijdelijk is, de kloof zal groter worden. Ik hoop dat hij gelukkig wordt, en dat hij me altijd zal willen knuffelen, tot mijn immer groeiende rimpels me een nieuwe zomertent vormen en ik finaal in mezelf verdwijn.

Schaf die boerderijklassen af: leer onze kinderen waar ons voedsel echt vandaan komt

(De Morgen, 08/09/2022)

Terwijl het klimaat gestaag opwarmt en de energieprijzen de pan uitrijzen is, met een noodwendigheid die enkel door een globale pandemie kan worden doorbroken, het schooljaar weer begonnen. In veel scholen was deze start meteen ook de gelegenheid om alle trips voor het komende jaar aan te kondigen. In veel lagere scholen is het inmiddels een traditie geworden om naast naar het bos of de zee ook een keer naar de boerderij te gaan. Maar is dat nu wel (nog) zo’n goed idee?

Ouders met opgroeiende kinderen worden op een bepaald moment sowieso geconfronteerd met de vraag hoe hun kinderen dieren nog kunnen leren kennen. Wilde dieren zijn in onze streken zo goed als uitgestorven en de meeste dieren in de geografische nabijheid brengen hun leven door in al dan niet comfortabel gevangenschap. Kinderen houden intuïtief van dieren en we zien het als een plus om ze deze dan ook in het echt te laten ervaren.

Aan de andere kant lijken gevangen dieren in de zoo een vreemde les te geven, alsof de natuur er enkel is om door ons getemd en geconsumeerd te worden. De Engelse schrijver John Berger beschreef de zoo-ervaring als kijken naar “iets dat volledig marginaal gemaakt is”, als povere weerspiegelingen van de wilde natuur in een volledig illusoir decor.

Nog een graadje erger wordt het op de (kinder)boerderij. Niet alleen zijn deze dieren niet vrij, ze zouden het zelfs niet kunnen zijn en hun lichamen zijn generaties lang door mensen kunstmatig geselecteerd op bruikbare eigenschappen.

Bovendien zijn de kleine boerderijen die scholen bezoeken vaak een zeer povere weerspiegeling van hoe de meeste boerderijdieren meestal leven. 75 procent van de Belgische melkveebedrijven heeft meer dan zestig koeien en meer dan 50 procent van de kippenbedrijven heeft meer dan zevenduizend dieren. De grimmige realiteit van onze vlees- en zuivelconsumptie heeft niks te maken met de idyllische oorden bevolkt door spelende, dartele dieren die onze kinderen te zien krijgen.

Kinderen tonen waar ons voedsel echt vandaan komt is nochtans een goed idee: het leidt tot meer betrokkenheid over voeding. Boerderijen zijn plekken waar de paradoxen van de moderne consument zichtbaar worden. We geven om dieren, maar we eten ze op (een paradox die bekendstaat als de Peppa Pig-paradox). We willen dat de planeet recupereert, maar we blijven liever blind voor hoe onze dierenconsumptie hiertoe bijdraagt.

Kinderen kunnen zeker iets leren op boerderijen, maar ze moeten dan wel iets echts te zien krijgen, met duiding van de ethische en ecologische gevolgen van industriële boerderijen en de massaslacht, geen poppenkast waarin de realiteit van haar scherpe hoeken wordt ontdaan. De leerkracht kan hier nog zo diens best doen, maar als deze moet optornen tegen het onderricht van boeren die al heel hun leven knokken om hun business levend te houden op hun eigen terrein, is dat een verloren gevecht. Schaf die boerderijklassen dus maar liever af.

De geesten van onze kinderen worden vergiftigd op Tiktok

(De Standaard, 17/08/2022)

Vorige maand scoorde ik tot mijn eigen verbazing een klein viraal Tiktok-succesje bij Vlaamse pubers en jonge twintigers, met een video waarin ik een satirische kijk bracht op hoe mannen op Tinder zijn. In de video somde ik allerlei slechte eigenschappen van mezelf op (lui, wil niet werken, niet erg knap, loopt de hele dag in zijn kamerjas rond, drinkt veel) en daarna de nogal stringente eigenschappen van een gewenste partner (maximum 25 jaar, heel sexy, niet te slim, enorm seksbelust, doet graag het huishouden). De video leek me zo overduidelijk een opzettelijke overdrijving dat zelfs onze niet zo erg op ironie getrainde jeugd wel in moest zien dat ik net het tegenovergestelde bedoelde van wat ik zei. Juist?

De man mag vreemdgaan

Fout. Duizenden likes en comments later is duidelijk dat de video zo ge apprecieerd wordt omdat veel jongeren geloven dat hij eindelijk iemand laat zien die eerlijk is over zijn verlangens. En het waren heus niet al leen jongens die zich positief uit drukten over de erg vrouwonvriendelijke boodschap van de video die je overhoudt als je de ironie mist. Er volgden ook massa’s berichten van jonge meisjes die hun vriendinnen tagden om te zeggen dat dit het type man was dat zij zochten. Op Tiktok ligt het feminisme dood op zijn rug, en het gebeurt maar zelden dat je populaire berichten ziet opduiken die vrouwvriendelijke, activistische boodschappen uitdrukken. Een van de nieuwe helden die je in duizenden video’s op het platform ziet opduiken, is de Britse ex-kick bokser Andrew Emory Tate. Die man spuit oneliners, zo over te nemen door kwetsbare mannen op zoek naar hun identiteit. Hij biedt een vertrouwd (extreem-)rechts recept van zelfdiscipline, nastreven van extreme materiëlewelvaart, je eigen baas zijn en haat voor vrouwen. Hij vindt bijvoorbeeld dat een man mag vreemdgaan, hij beschouwt dat zelfs niet als vreemdgaan, maar vindt een vrouw die dat doet een ‘slut’. Hij is naar eigen zeggen uit het Verenigd Koninkrijk gevlucht naar Roemenië omdat hij zo gemakkelijk kon ontkomen aan klachten wegens aanranding (beschuldigingen die uiteraard vals waren, volgens hemzelf).

De enige remedie

Het was voor mij dus even slikken toen ik in de comments op mijn video plots ‘Common Frank W.’ zag opduiken, een verwijzing naar ‘Common Andrew W.’, wat de volgers van Tate gebruiken als hij iemand, meestal een vrouw, ‘neersabelt’ in een discussie. Tate en andere toxische mannen, zoals de welbekende psycholoog Jordan Peterson, sijpelen door tot diep in de geesten van onze schoolgaande jeugd.

Je kunt dat wegwuiven, maar intussen werden de video’s van Tate bijna 12 miljard keer bekeken op Tiktok. Als je een puber hebt die vaak op Tiktok zit, kun je er donder op zeggen dat Tate al op zijn scherm verscheen. En Tate zelf doet er niet eens toe, zodra die hype verdwijnt, duikt er weer een andere kerel op die de frustratie van jonge mensen voedt en uitbuit. Uit onderzoek blijkt telkens opnieuw dat de enige remedie tegen zulke haat is: er met je kinderen over praten. Ouders moeten er zich meer bewust van worden dat de geesten van hun kinderen op Tiktok worden vergiftigd met misogyne propaganda.

Voortaan bepalen de makers van Factcheckers wel wie ziek is

(De Standaard, 17/02/2022)

Ik wil liever niet in hun naam spreken, maar het lijkt me dat huisartsen het moeilijk hebben. Niet alleen is hun werkdruk sinds de uitbraak van dat vervelende virus ontzettend hoog, in deze tijden van fake news, antivaxers en zelfverklaarde ­experts wordt hun geloofwaardigheid ook nog eens voortdurend aangevallen. Wat we ­momenteel niet nodig hebben, is een ­publieke omroep die nog wat olie op het vuur giet.

Met stijgende ergernis keek ik dinsdagavond naar de recentste aflevering van Factcheckers op Eén. Voor wie het programma niet kent: het is een wat entertainende en licht(zinnig)e kijk op de hoognodige trend om fake news te ondergraven met feiten. Op zich is er niks mis met infotainment, ook al zijn de steekproeven van hun onderzoek aan de bescheiden kant en is er over de onderzoeks­methodologie niet veel verder nagedacht dan een verborgen camera ­ergens binnensmokkelen en zien wat er gebeurt.

Deze reportage was een gemakzuchtige en onnodig ­polariserende inquisitie van een ­beroepsgroep die onder onvoorstelbaar hoge druk staat

Dat leidde in een eerdere aflevering al tot ergernis bij de ook al door het virus zwaar beproefde horeca­sector, toen er na een erg kleine steekproef in het programma beslist werd dat alle hotels smerig zijn. Dat was al niet correct, maar het wordt wel erg kwalijk als je een populair platform ­als de grootste tv-zender gebruikt om de geloofwaardigheid van een verguisde beroepsgroep te ondermijnen, in een tijd waarin artsen vaak de laatste barrière vormen tussen mensen en de totale instorting.

Ironische omkering

Fantastisch vind ik het, dat je naar een dokter kunt gaan en haar kunt zeggen dat je volop in een verbouwing zit (een undercoverscenario in het programma), en dat die dokter dan niet ‘scheer je weg met je niet-medische klachten’ zegt, maar dat ze je dan serieus neemt, je bloeddruk neemt en je een aantal dagen respijt geeft. Iedere medicus die ontkent dat psychologische en sociale stressoren vaak leiden tot uiteindelijk ‘echte’ lichamelijke klachten, is niet goed wijs. Het medische laat zich niet noodzakelijk reduceren tot lichamelijke pijn, en alle artsen doen er goed aan om de zelfrapportage van patiënten links te ­laten liggen en zelf hun oordeel te vormen.

De makers van Factcheckers hebben blijkbaar geheel autonoom ­beslist wanneer iemand het wel of niet verdient om een ziektebriefje te krijgen. Hierdoor doen ze in een ironische omkering van een echte factcheck precies wat al die homemade ­virologen online met hun Youtube­diploma’s doen: door een gebrek aan expertise en echte kennis komen ze via een beverige premisse uit bij een ­totaal foute conclusie, waarna die als bewijs gepresenteerd wordt. Wat is ‘ziek’ zijn eigenlijk? En waarom zou iemand die niet ‘ziek’ is toch naar de dokter stappen en een briefje vragen? Het zijn belangrijke vragen waarvoor in het programma geen plaats is. Er was wel een spannend muziektapijtje en een presentator die dingen als ­‘hemeltergend’ zei en in zijn gezicht kneep. Dat dan weer wel.

Profiteurs!

Met de aanhoudende uitholling van de welvaartsstaat en de val van veel middenklassers in een werk­onzeker precariaat, zijn dokters de laatste reddingsboei van veel mensen. Onze artsen hun sociaal bewustzijn aanwrijven en hen kwalijk nemen dat ze ­opkomen voor de gewone man, komt uiteindelijk niemand ten goede.

Deze reportage was een gemakzuchtige (het ging hier over een steekproef van 20 dokters) en onnodig ­polariserende inquisitie van een ­beroepsgroep die onder onvoorstelbaar hoge druk staat. Het was ook ­koren op de molen van bepaalde politieke partijen, die scoren door hele groepen mensen als profiteurs af te doen en een arbitraire tweedeling te propageren tussen noeste werkers en luieriken. In een maatschappij die collectief op de rand van de burn-out staat, is dat onverantwoord, en een publieke omroep onwaardig.